Een avondje uit

Hoe de franse dorpsjeugd zich vol laat lopen in de plaatselijke kroeg.

De eerste dagen van mijn Camino loop ik niet veel. Twintig kilometer is voor mij al heel veel. Gelukkig is er Didier die mij op weg zal helpen de eerste dagen. Op dag 2 doen we Saugues aan.

Aanmoediging

Zondag 9 mei
Dag 2 Saint Privas d'Allier - Saugues 18 km

Saugues is het helemaal voor mij. Het dorp, stadje leeft een kwijnend bestaan, de middenstand is voor een groot gedeelte verdwenen, veel panden staan leeg.
De gemeentegîte naast de camping en de sportvelden is smerig, de sfeer mistroostig. Alles is jaren zeventig-bruin en naar het lijkt is er sindsdien aan dit gemeentelijke complex weinig onderhoud gepleegd. Verf bladdert af, de ruimte waarin wij slapen is groezelig. Het lijkt door de plaatselijke dorpsjeugd gebruikt als hangplek. Het slot op de deur is meermalen geforceerd.
Didier en ik zijn de enige gasten. Als er al meerdere pelgrims zijn die Saugues aan doen slapen ze in het hotel of chambre d'hôtes. Ik ben blij dat ik hier niet alleen hoef te overnachten, de sfeer zou me deprimeren.
Vanaf de balustrade voor onze kamer zijn we getuige van een rugby-wedstrijd tussen het team van Saugues en dat van Aumont-Aubrac. Zes supporters staan stil langs het veld, vriendinnen van spelers denk ik. Wie er wint is onduidelijk want als het eindsignaal valt juicht niemand en lopen de spelers stil en met gebogen hoofd naar de smerige douches.

s' Avonds gaan we met al onze waardevolle spullen in een plastic tasje het dorp in op zoek naar een restaurant. Veel te kiezen hebben we niet. Als we bij het restaurant aan de hoofdstraat in het kastje naast de deur het menu bestuderen komt een jongeman naar buiten en vertelt ons verlegen dat het menu niet zeventig francs kost zoals staat aangegeven maar slechts zestig.

We drinken een aperitief bij Chez Helene aan de andere kant van de straat. Wat een prachtbar, net een kantine. De eigenaar met enorme snor ziet er uit alsof hij het merendeel van zijn drankomzet zelf voor zijn rekening neemt. Steunend op zijn armen aan de rand van de toog houdt hij zijn dikke lijf omhoog.

In het restaurant, wat overdag cafe is, zijn alle tafels gedekt. Didier en ik zijn op dat moment de enige gasten. Later komt er nog een gast. Het ziet er naar uit dat hij dagelijks hier eet. Hij schuift aan een tafel en direct wordt hem een maaltijd voor gezet.
'Het zal wel een vrijgezel of een weduwnaar zijn zonder enige culinaire ervaring met een soort strippenkaart,' zegt Didier.
Terwijl wij heerlijk eten, voortreffelijk maar een beetje onderdanig worden bediend, vergapen we ons aan de prachtige billen van de, naar we gemakshalve aannemen, zus van de ober die de vrijgezel bedient.
Aan het einde van onze maaltijd, de vrijgezel is al lang zonder te betalen verdwenen, worden de keurig gedekte tafels weer afgeruimd. Ik vind dat zo vreselijk pijnlijk. Als Didier en ik hier niet gegeten hadden was het restaurant voor niets open geweest. Het illustreert in mijn ogen het kwijnende bestaan van dit stadje. Uit medelijden geef ik een vreselijk grote fooi.

Na het eten drinken we nog enige glazen bier in een bar in dezelfde straat. Het is zondagavond en het cafe zit vol jongeren. De rugbyclub en de voetbalvereniging zijn aanwezig en men laat zich vol lopen. De Ricard wordt per fles gekocht. Er is in de bar één vrouw aanwezig. Prachtige vrouw, mooie benen in een superkort rokje, een beetje ordi, daar houd ik van. De dronken boerenjongens hangen om haar heen en bedelen om kussen, trekken haar tegen zich aan. Ze lacht en geniet van de aandacht. Af en toe bukt ze voorover om met iemand te spreken die aan een tafeltje zit en gunt de mannen een blik in haar decolleté en onder haar te korte rokje. De jongeren joelen. Ze ziet alles, flirt met ons en houdt de straat in de gaten.

De mannen in het café zijn verschrikkelijk bezopen. Ze hangen over de bar en over elkaar. Regelmatig zakt er één door de knieën en wordt door zijn vrienden overeind geholpen. Soms schalt een dronken voetballied door de muziek van de jukebox heen.
Het cafe heeft geen wc merk ik als ik op zoek ga naar een plek om mijn bierblaas te legen. Een brallende zatlap trekt me mee naar buiten en gearmd zwalk ik met mijn dronken vriend naar de steeg naast het cafe. Daar staan twee mannen. Ze steunen met hun hoofd tegen een muur van basaltblokken en lozen hun overtollig vocht. Het steegje loopt wat af. Een tien meter stinkend urinespoor loopt in de richting van de hoofdstraat waar het verdwijnt in een rioolputje. Als ik mijn broek los maak glijdt een nieuwe toiletbezoeker uit over de natte stenen als hij waggelend het steegje omhoog probeert te lopen. Hij blijft lachend midden in de onwelriekende rivier liggen, te dronken om weer op te staan.

Die nacht slaap ik weer slecht. Elk geluid wekt me.

Alle rechten voorbehouden