Beyerskameren

In 1597 stichtten Adriaen Beyer en zijn echtgenote Alet Jansdogter twaalf vrijwoningen aan de Lange Nieuwstraat om arme mensen te huisvesten. In 1650 zijn hier nog twee woningen aan de Agnietenstraat aan toegevoegd.

Beyerskameren

De Beyerskameren grenzen aan de Kameren Maria van Pallaes en kijken uit op de Fundatie van Renswoude. De poort in het midden van de Beyerskameren leidt naar de oorspronkelijke regentenkamer. Op de gevelsteen boven de poort staat de volgende tekst:

D.O.M DEN ARMEN GETROUW ADRIAEN BEŸER HEEFT ONS GEFONDEERT EN ALET JANS DOGTER ZŸN HUYSVROUW A° 1597

In 1596 overlijdt Adriaen Beyer. Hij en zijn echtgenote Alet Jansdogter hadden in hun testament bepaald dat er vrijwoningen voor de armen gebouwd moesten worden. Daarnaast zouden de bewoners per kamer een jaarlijkse uitkering van rond de fl. 20.-- krijgen dat besteed moest worden aan een mud weid, twaalf pond boter, vijfentwintig pond kaas en tien zakken turf. Tot slot had het de bepaling arme, eerlijke dochters uit te huwelijken en ambachtslieden een ambacht te laten leren.

De executeuren-testamentair, de heren Ram en Van den Berch, vinden een geschikte plek aan de Lange Nieuwstraat en bouwen in 1597 twaalf vrijwoningen om arme mensen te huisvesten. In 1650 zijn hier nog twee woningen aan de Agnietenstraat aan toegevoegd. Het zijn eenkamerwoningen die meestal cameren genoemd werden. De kamer bestond uit 20 vierkante meter met een bedstee, een vuurplaats en een trapje naar de zolder. Onder de trap zat een zogenoemde ‘plofplee’, dat was zeer uitzonderlijk, want de meeste cameren in Utrecht moesten een uitpandig secreet delen. Rond 1700 worden de ramen van de huizen vergroot, de kwetsbare Vlaamse geveltjes verwijderd en de gemakjes aangebouwd. Met subsidie, het laten vallen van de toelage en het heffen van huur werd de grote verbouwing in 1959 mogelijk en ook de grote verbouwing in 1999 is voor een deel uit de middelen van de fundatie gefinancierd. Bij deze laatste verbouwing werden veel accenten van vroegere verbouwingen zichtbaar gemaakt.

Vanaf 1579 waren de bewoners oud en armlastig, de helft protestant en de helft katholiek, net zoals de executeuren. In de achttiende eeuw moesten de gegadigden zich voor een vacante woning inkopen, maar deze situatie verdween in de negentiende eeuw. Toen werden de woningen weer vergeven. Tot de twintigste eeuw woonde men gratis in de Beyerskameren en de bewoners van het hofje ontvingen jaarlijks een toelage. Na de verbouwing van 1959 werd er (voor drie gulden per maand) gehuurd. Het beheren en besturen van een fundatie werd gezien als een erebaan. Bij andere stichtingen werd men regent, hier executeur of administrateur. De executeuren deden dit voor het goede doel en uit respect voor de stichter. Naast het beheer van de Beyerskameren bepaalde het testament dat de executeuren uitkeringen deden aan jonge dochters voor hun uithuwelijking en ambachtsgezellen voor het leren van een ambacht en tevens aan oude hulpbehoevende mensen. Dat de functie van de Beyerskameren onveranderd is en nog steeds bedoeld is voor sociale bewoning is de verdienste van de heren Ram, Van den Berch en Van Daelen geweest. Zij hebben de taak van executeur op zeer zorgvuldige wijze uitgevoerd en deze taak aan hun nageslacht overgedragen, het hof door moeilijke tijden geloodst en het behoed voor afbraak. Tot 1938 was er zelfs iemand met de naam Ram vertegenwoordigd in het bestuur van de fundatie.

Alle rechten voorbehouden