Willem Arntszstichting 1461

Willem Arntsz is een vooraanstaand Utrechts burger in de vijftiende eeuw. Zijn bijnaam is Willem van de Heiligen Lande omdat hij een reis naar het Heilige Land heeft gemaakt. In het oosten heeft hij geleerd op een andere wijze om te gaan met geesteszieken. Philips van Bourgondië, de bisschop van Utrecht, denkt er net zo over. Willem laat in zijn testament geld na aan de broeders van het St. Barbara- en het St. Bartholomeüsgasthuis om een gasthuis voor geesteszieken op te richten. Dit Willem Arntszgasthuis krijgt een plaats aan het St. Nicolaaskerkhof en is bedoeld voor geesteszieken die geïsoleerd moeten worden, want krankzinnigen zijn niet welkom in de gasthuizen.

Willem Arntszhuis

In de stichtingsakte van het Bartholomeüs-gasthuis staat:
so en sal men gheen kinder ontfaen, die men voer water ende vuer wachten moet, noch rasende lude, die haer sinnen niet en hebben, noch malaetsche menschen die in de ban zijn, noch niemand om siins goetswillen of die siin vroot waert of bider straten bidden mach, maer puer llendige arme menschen die …beddevast liggen.
Voor geesteszieken, melaatsen of bedelaars -volwassen of kind- is geen plaats. Dezelfde regel gold voor de weeshuizen, men is huiverig voor de geesteszieken. Toch gaat het Bartholomeüsgasthuis een cruciale rol spelen in de uitvoering van het testament van Willem Arntsz.

Voor krankzinnigheid ziet men in de middeleeuwen drie oorzaken. Allereerst is er een bovennatuurlijke oorzaak: bezetenheid door de duivel en hekserij. Ook kan er een lichamelijke oorzaak zijn, zoals een verkeerde balans van de lichaamssappen. Tot slot kan er een geestelijke oorzaak zijn, zoals angst, verdriet of te hard werken. Philips van Bourgondië had een schilderij van Jheronimus Bosch, De keisnijding, in zijn bezit. Men dacht namelijk dat sommige krankzinnigen te helpen waren door een gat in de hersenen te boren.

Het bestuur van het gasthuis beslist wie opgenomen wordt en legt elk jaar verantwoording af aan het stadsbestuur. De opname is niet gratis.

Het Willem Arntszgasthuis werd in 1461 in Utrecht gesticht. Het bestond uit een hoofdgebouw, zes huisjes en een erf waarop de huisjes uitkwamen. Deze huisjes waren zo ingericht, dat daarin "razenden en dollen gespannen of gesloten konden gehouden worden", maar wel in primitieve omstandigheden. In elk dolhuisje staat een krib om te slapen, er ligt stro op de vloer en er is een poepdoos. De verblijfjes ontvingen enkel licht door een klep in de deur en door een in de achterwand gemetselde spleet die naar buiten toe breed uitliep. Tocht en kou hadden er vrij spel. In 1659 waren er al 45 van dit soort huisjes. De 'dolhuysjes' waren gewoonlijk rond de binnenplaats gerangschikt. In rustige perioden mochten de verpleegden op die binnenplaats wandelen. Een merkwaardig gebruik was de dolhuiskermis of paasdol. Op Derde Paasdag werd de poort van het dolhuis open gezet en burgers mochten dan krankzinnigen bekijken en plagen. Dit duurde voort tot 25 februari 1782, toen werd het verboden.
In de Tweede Wereldoorlog zou de stichting niet alleen geestelijk gehandicapten huisvesten maar ook joden die op de vlucht waren voor de nazi’s.

Alle rechten voorbehouden

Media